Gambia

Een rivier en zijn oevers
Zonsondergang in ‘De Gambia’
Het land ‘Gambia‘ is een rivier met zijn oevers. Ook die rivier draagt de naam ‘Gambia’; ‘De Gambia’, om precies te zijn. De foto’s zijn gemaakt gedurende twee reizen. In de tweede reis, maken we een rondrit. De tocht begint bij zonsopkomst, in de haven van Banjul, de hoofdstad van het land. We steken met een veerboot van af de zuidoever de rivier over naar Barra aan de noordkant. De reis gaat verder langs de noordoever zo’n 250 km naar het oosten en dan weer terug langs de zuidoever.

Zonsopkomst in de haven van Banjul. Blauwereiger, Ardea cinerea.
Het is nogal een onderneming om een plaatsje te verwerven op de veerboot. Er staat een lange rij auto’s met chauffeurs die de Gambia ook willen oversteken. Onze gids, Murat, heeft gisteren afspraken gemaakt met relevante personen, om zijn passagiers van een plaatsje op de eerste boot te verzekeren. Het begint goed, we passeren een groot deel van de wachtende auto’s, op weg naar de steiger. Dan worden we tegengehouden door een medewerker van de veerdienst. We mogen niet verder. Het blijkt dat onze gids toch nog heel wat moet soebatten voor we alsnog mogen doorrijden. Inmiddels is er een blauwe reiger neergestreken op een dukdalf bij de steiger, waar de boot straks van wal zal steken. De zon komt op, we gaan.
Gambia
‘Gambia’ is zowel de naam van een land als de naam van een rivier, (‘de Gambia’). Het land wordt Noord, Oost en Zuid, omringd door Senegal. In het westen is er de Atlantische oceaan. Het land Gambia is van Noord naar Zuid op zijn breedst vijftig kilometer. Het land steekt, als een vinger in een slappe buikwand, 350 km ver in Senegal.

Kaart uit Wikipedia: “The Gambia”
De koloniale naam ‘Georgetown’ is nu vervangen door de naam, Janjanbureh.
In Senegal spreekt men naast de lokale talen, Frans, de taal van de voormalige kolonisator. De voertaal van Gambia is Engels. De Britten hadden in de achttiende eeuw het betere hapje van de streek in bezit weten te krijgen. In 1965 trad het Gambia als onafhankelijk land, toe tot de Gemene Best.
Een, naar verluid, Nederlands bouwbedrijf, heeft in de vorige eeuw aan weerskanten van de rivier een lange geasfalteerde weg aangelegd, ‘The Trans-Gambia highway’.
Joop, de Nederlandse eigenaar van het Mara Kissa River Camp met vogelobservatieplaats, vertelde het verhaal over een efficiënte Gambiaanse jonge man die het bouwbedrijf reuze had geholpen bij de aanleg van deze weg. Het bouwbedrijf was hem zeer dankbaar voor zijn diensten. Toen de weg af was wilde zijn voormalige werkgever iets voor hem doen. Hij had altijd graag een kraam aan de weg willen hebben. In Afrika ziet men geregeld een soort schuur met een toonbank vanwaar je uitkijkt over de weg en waar men behalve levensmiddelen nog allerhande andere koopwaar aanbiedt. Zijn opdrachtgevers lieten zo’n winkel voor hem neer zetten en zorgden voor een complete inventaris.
De eerste klant was zijn moeder die een kilo rijst van hem afnam. Van kopen was geen sprake, hij was nu een rijk man en het werd van hem verwacht dat hij zijn rijkdom zou delen met de familie. De volgende klant was een neef die olie nodig had. In de kortste keren was de winkel leeg en had hij geen geld om zijn voorraad weer op peil te brengen. Het is kennelijk nogal lastig een bedrijf op te zetten als er zo’n grote solidariteit verwacht wordt van de zakenman in spé, dat hij niet kan investeren.
Joop betaalt zijn medewerkers voor een belangrijk deel uit in natura, kleding schoenen en eten. Zo zorgt hij ervoor dat zijzelf voldoende profiteren van hun inzet voor zijn herberg. Hij is getrouwd met een Gambiaanse en begrijpt hoe het werkt.







Antarctica